Als het heelal een begin heeft, heeft het dan ook een einde? Of blijft het gewoon eeuwig bestaan? De zoektocht naar antwoorden heeft een revolutie teweeggebracht in ons begrip van het heelal. Het heelal blijkt namelijk nog vreemder in elkaar te steken dan dat wij al dachten. Het idee was steeds dat als je het heelal in kaart brengt en je weet wat er is gebeurd, dan kan je op die manier voorspellen hoe het zich in de toekomst zal ontwikkelen. Maar er zit wel een probleem in deze redenatie. Het heelal moet je namelijk in een heel andere tijdsschaal bekijken dan een mensenleven. Het gaat over miljarden en miljarden jaren. En dat brengt iets vreemds met zich mee. Het heelal is zo verschrikkelijk groot dat het licht van sommige objecten aan de hemel er soms miljoenen of zelfs miljarden jaren over doet om de aarde te bereiken. Dus als we de sterrenhemel bekijken, dan kijken we eigenlijk terug in de tijd, naar de geschiedenis van het heelal.

Het probleem is wel dat we alleen een momentopname zien. Eén complexe, verwarrende foto van die hele geschiedenis. Alsof je alle woorden van een boek door elkaar gehusseld hebt en vervolgens op één bladzijde hebt gepropt. We moeten het verhaal eerst begrijpen voor we het kunnen lezen, zodat we weten wat er is gebeurd en gaat gebeuren. Sterren kunnen ons helpen om dit mysterie te ontrafelen. Als we weten hoe sterren veranderen in de tijd dan kunnen we van daaruit steeds meer begrijpen van het grotere geheel. Maar het duurde tot het midden van de twintigste eeuw tot er een antwoord op deze vraag kwam. Dankzij Fred Hoyle, een wis- en natuurkundige. Hij was creatief en durfde grenzen op te zoeken en te verleggen. Eind jaren ’40 wilde Hoyle weten waar de chemische elementen vandaan kwamen.

Het vroege heelal bestond voornamelijk uit waterstof en helium, maar we weten dat daar wel een ontwikkeling in zit. Kijk naar onze aarde. Die staat bol van de complexiteit en is gebouwd uit zeer ingewikkelde elementen die veel groter zijn dan waterstof en helium. Niemand kon verklaren waarom dat simpele heelal kon uitgroeien tot wat het nu is. Hoyle was er gebrand op om deze verklaring te vinden. Hij bedacht dat kernfusie de sleutel moest zijn. Hierbij worden namelijk kleinere elementen samengesmolten tot grotere, complexere elementen. Men wist al dat er in sterren waterstof tot helium fuseerde. Van daaruit kan berillium en koolstof worden gemaakt. En op deze manier kan je ook zwaardere elementen bouwen. Dit lijkt heel eenvoudig, maar in de praktijk blijkt de vorming van koolstof helemaal niet zo makkelijk te zijn. Het probleem is dat drie heliumkernen niet zomaar aan elkaar willen plakken. Als dat wel zou gebeuren, dan zou het ontstane koolstof zeer instabiel zijn en direct uit elkaar vallen. En als koolstof al niet gevormd kan worden, dan kunnen grotere elementen die daarna komen al helemaal niet gemaakt worden.

Hoyle loste dit probleem theoretisch op door een nieuwe vorm van koolstof te voorspellen. Hij bedacht dat als drie heliumkernen samenkomen in een ster ze toch koolstof kunnen vormen dat wat meer energie heeft dan normaal. In deze toestand kan koolstof net lang genoeg intact blijven om toch nog stabiel te worden. Dus als Hoyle gelijk heeft, dan zouden de elementen binnenin de sterren worden gemaakt. Hoyle realiseerde zich dat zijn theorie kon verklaren hoe sterren veranderen gedurende hun levensduur. En omdat er heel veel sterren zijn, kunnen we van hieruit misschien wel de toekomst van het heelal voorspellen.

Sterrenkundigen waren inmiddels al begonnen om sterren te groeperen aan de hand van hun grootte, felheid en kleur. Zo ontstond het Hertzsprung-Russell diagram.

De meeste gemiddelde sterren volgen de diagonaal van het diagram. Met een groepje reuzen bovenin en kleine dwergen onderaan. Sterrenkundigen zagen patronen, maar konden deze niet verklaren. Totdat Hoyle op een andere manier naar het diagram ging kijken. Het was een manier waarmee hij de levensloop van een ster zou kunnen beschrijven.

Laten we eens kijken naar de zon. In de zon wordt waterstof omgezet in helium. Maar als Hoyle gelijk heeft, gaat, wanneer de waterstof op is, het helium fuseren om zwaardere elementen te maken. En dat betekent nogal wat voor de zon. De zon vergroot zichzelf dan extreem en wordt een rode reus. Daar zal helium beginnen om zwaardere elementen te maken en uiteindelijk koolstof gaan produceren. Als al zijn brandstof op is, zal het grootste gedeelte van de buitenkant van de zon weggaan. Wat er overblijft is een klein hoopje as: een witte dwerg.  Elke ster volgt zo zijn eigen weg in het Hertzsprung-Russell diagram. Hoyle’s theorie beschrijft hoe je de sterevolutie kan volgen dankzij de vorming van nieuwe, grotere elementen in de sterren.

Als koolstof met die hoge energie voor zou kunnen komen, dan was er weer een vraagstuk opgelost. Maar niemand had deze speciale toestand ooit gezien. Niet in het spectrum van de sterren, niet op aarde en niet experimenteel. Het zou dus heel goed ook gewoon niet kunnen bestaan. En zonder die speciale koolstof was er dus geen theorie.

In de vijftiger jaren ging Hoyle voor Caltech werken. Zij waren een van de weinigen ter wereld met een deeltjesversneller. En die wilde Hoyle graag gebruiken om zijn bijzondere koolstof te maken. Maar bij Caltech viel dat helemaal niet in goede aarde. Een of andere Brit wilde hun mooie nieuwe deeltjesversneller gebruiken om een vage proef te doen.

Uiteindelijk, na lang aandringen, mocht hij zijn experiment doen. Hij ging een element beschieten met een deeltjesbundel om te bekijken of die speciale toestand van koolstof kon ontstaan. Hij zocht naar één specifiek signaal van de detector. Er zou namelijk een energiepiek moeten zijn bij ongeveer 7,7 MeV. Dat zou de vingerafdruk van de hoogenergetische koolstof moeten zijn. En het onwaarschijnlijke gebeurde: de piek zoals Hoyle die voorspelde ontstond op het scherm!

De directeur van het laboratorium kreeg uiteindelijk de Nobelprijs voor deze ontdekking. En Hoyle…. die kreeg niks. Door deze ontdekking wisten we zeker dat alle elementen uiteindelijk in de sterren zijn gemaakt. We kregen een betere kijk op de ontwikkeling van sterren en we begonnen te begrijpen dat het heelal ook daadwerkelijk met de tijd veranderde. Nu en in de toekomst.

Er werd een duidelijke voorspelling voor het einde van het heelal gemaakt. En die was verontrustend: de sterren zouden na heel lange tijd alle waterstof en helium opmaken, waardoor er geen nieuwe sterren meer gevormd konden worden. Bestaande sterren sterven uiteindelijk. Het heelal wordt dan donker. Het licht en het leven dat door de sterren is gecreëerd zou allemaal ophouden te bestaan.

Maar er was nog een scenario mogelijk voor wat er zou kunnen gebeuren als sterren zonder brandstof zouden komen te zitten. Vesto Slipher, een onbekende sterrenkundige, bedacht dat de zwaartekracht wel eens een cruciale rol zou kunnen gaan spelen bij het einde van het heelal. Aan het begin van de twintigste eeuw nam de sterrenkunde een vlucht door de komst van krachtiger telescopen. De meeste sterrenkundigen waren met name geïnteresseerd in de nevels tussen de sterren. Die konden ze beter bekijken met hun telescopen. Maar Slipher onderzocht maar één aspect van die nevels: hun beweging. Hij koos de Andromedanevel als doelwit voor onderzoek.

Slipher wilde meten hoe snel een nevel bewoog. Maar omdat hij een onbekende, nietszeggende sterrenkundige was, had hij niet de beschikking over een heel goede telescoop. Hij had een spectrum van Andromeda nodig. Daarvoor moest hij voldoende licht op een fotografische plaat laten schijnen, anders kon hij helemaal niks met het spectrum. Maar nevels zijn extreem dof. Slipher had maar liefst 14 uur nodig om één spectrum te produceren (tegenwoordig is dat een minutenkwestie). Twee dagen aaneengesloten heeft hij doorgewerkt, om de zeven uur moest hij zijn telescoop wat bijstellen, zodat deze naar Andromeda bleef wijzen. Naast het spectrum van Andromeda had Slipher ook de absorptielijnen nodig. Als de bron niet beweegt, blijven de absorptielijnen altijd op dezelfde plek. Als ze roodverschoven zijn, beweegt de bron van ons af en bij blauwverschuiving beweegt het naar ons toe. Hoe groter de verschuiving, hoe groter de snelheid.

Na twee dagen meten kon Slipher zijn foto ontwikkelen. Hij kreeg een heel vage foto met een veeg in het midden. Daar zou eigenlijk het spectrum van Andromeda moeten staan. In eerste instantie was zijn proef dus niet geslaagd. Maar hij kon desondanks wel aantonen dat Andromeda blauwverschuiving liet zien. Het komt dus op ons af. Hij berekende ook dat de snelheid waarmee Andromeda naar ons toe beweegt ongeveer 300 km/s is. En dat komt overeen met de hedendaagse berekeningen.

Toen Slipher in 1914 zijn conclusies deelde op een congres, kreeg hij een staande ovatie. Inmiddels weten we dat Andromeda een sterrenstelsel is, net als onze Melkweg. Zijn beweging kan aantonen hoe zwaartekracht het lot van het heelal beïnvloedt.

Sinds de oerknal dijt het heelal uit. Daardoor bewegen de meeste sterrenstelsels van elkaar af. Dat was helemaal aan het begin, na de vorming, ook het geval voor Andromeda en onze Melkweg, totdat de zwaartekracht zijn intrede deed en de expansie tegenwerkte. Door de zwaartekracht worden de Andromedanevel en onze Melkweg naar elkaar toe getrokken.

De belangrijkste vraag daarbij is natuurlijk of zoiets ook niet kan gebeuren voor het totale heelal. Als de zwaartekracht de uitdijing van het heelal kan tegenhouden voordat de sterren door hun brandstof heen zijn, dan zou het heelal imploderen. Het zou dan eindigen in een Big Crunch. Als de zwaartekracht echter niet sterk genoeg is, dan zou het heelal blijven uitdijen, zelfs lang nadat de laatste ster is gestorven. Alles hing af van één factor, voorspeld door Einstein. Zijn relativiteitstheorie voorspelt dat er twee zeer verschillende toekomsten voor het heelal zijn. Zelfs de grens tussen die twee gebieden kon worden berekend. Dat werd bekend als de kritieke dichtheid.

De dichtheid is in feite een waarde gebaseerd op de hoeveelheid materie en energie dat in het heelal aanwezig is. Als dat totaal boven de kritieke dichtheid komt, dan zal de zwaartekracht alles samenpersen. Dus er volgt een Big Crunch. Als het totaal echter onder de kritieke dichtheid zit, dan zal het heelal eeuwig blijven uitdijen. Het lot van het heelal hangt dus af van één simpele vraag: hoe is het gesteld met de dichtheid van het heelal? Dat kon worden uitgezocht door te kijken naar de uitdijing van het heelal. Als het heelal namelijk boven de kritieke dichtheid zit en op weg is om in te storten, dan zou de uitdijing vertraagd moeten worden.

Sterrenkundigen gingen hiermee aan de slag. Beatrice Tinsley, een studente sterrenkunde, ontdekte echter een cruciale fout in hun werkwijze. In de jaren ’60, toen dit vraagstuk speelde, werden vrouwen in de wetenschap vaak niet al te serieus genomen. De Universiteit van Texas, waar zij studeerde, wilde in eerste instantie niet naar haar verhaal luisteren. In haar proefschrift beschreef zij problemen bij de berekeningen omtrent de expansiesnelheid. Het idee was om te meten hoe sterrenstelsels bewegen op verschillende afstanden van de aarde en dus op verschillende punten in het verleden. De wijze waarop de beweging veranderde, zou verklaren hoe de uitdijing van het heelal veranderde. Het lag voor de hand om die beweging te meten. Maar het meten van de afstand bleek een probleem te zijn. In het dagelijkse leven zijn wij namelijk omringd door referentiepunten die ons een goed beeld geven van afstand en grootte, maar in het heelal is dat natuurlijk veel lastiger. Daarom gingen sterrenkundigen iets ongebruikelijks doen: ze maten het licht zelf.

Licht lijkt misschien geen voordehand liggende meetlat, maar in dit geval was het ideaal. De gedachte was heel simpel: hoe dichter je bij een lichtbron staat, hoe feller is het licht. De afname van felheid in relatie tot de afstand blijkt volgens een mooi wiskundig verband te verlopen. Dus daarmee konden afstanden worden berekend. Wanneer je het verschil tussen twee lichtbronnen wil bepalen, zeg een lichtbron naast je en eentje verder weg, dan kan je de helderheden meten. Wanneer je deze helderheden op elkaar deelt en daar dan de wortel van trekt, dan heb je de afstand. In formulevorm: L2/L1=(d1/d2)2 oftewel d1/d2=√(L2/L1).

Maar dit werkt alleen als je weet hoe fel het object zou moeten zijn. Dan kan je namelijk pas de verandering in felheid bepalen. En dat is een probleem, want de sterrenkundigen onderzochten sterrenstelsels van verschillende leeftijden, waarbij zij ervan uitgingen dat alle sterrenstelsels even fel waren. Met andere woorden: de felheid van sterren zou nooit kunnen veranderen. En juist deze gedachtegang was volgens Beatrice Tinsley fout.

Zij was gefascineerd door de levenscyclus van sterren. En vooral hoe ze steeds veranderen en wat het effect daarvan op de felheid van sterrenstelsels is. Tinsley beredeneerde dat sterren steeds minder fel moeten gaan schijnen. De sterrenkundigen raakten in paniek: er was enorm veel geld en middelen geïnvesteerd in deze metingen en nu was er een studente, ook nog eens een vrouw, die kwam vertellen dat een en ander in twijfel getrokken moest worden. Maar haar redenatie kon niemand echt weerleggen of ontkrachten. Vier jaar later werd haar theorie alsnog geaccepteerd. Dus de sterrenkundigen konden weer opnieuw beginnen.

Er moest een nieuwe manier worden gevonden om te meten hoe dicht het heelal bij de kritieke dichtheid zit. Ze bedachten een meer directe manier van benaderen. Namelijk door alle materie in het heelal te tellen. En dat is best lastig. Hoe kan je nou in zo’n groot heelal alle sterrenstelsels, alle sterren, alle planeten, alle interstellaire gassen en alle overige materie tellen? Dat is haast onmogelijk, tenzij je het heelal een beetje kan verkleinen. De sterrenkundigen namen daarom een gemiddeld cijfer van de materie in één klein deel van het heelal en vermenigvuldigden dat. Dat mochten ze doen vanwege een belangrijk kenmerk van het heelal: het heelal is hetzelfde in alle richtingen. Dus als je vanaf aarde naar de ruimte kijkt, dan ga je ongeveer hetzelfde zien als wanneer je op Andromeda staat en in een totaal andere richting kijkt.

De sterrenkundigen keken naar het gemiddelde en berekenden zo de hoeveelheid massa en energie in het heelal. De resultaten waren verbluffend. De beste schatting gaf aan dat het heelal zo weinig massa zou hebben dat de dichtheid maar een fractie was van de totale kritieke dichtheid. Als deze metingen zouden kloppen, dan zou het heelal helemaal nooit kunnen imploderen. Maar er was wel een probleem met deze schatting. Deze was veel te laag. Ons heelal heeft duidelijk veel materie, veel massa en veel energie. De schatting bleek dus tegenstrijdig te zijn met het heelal zelf.

De misrekening werd ontdekt toen het heelal in kaart werd gebracht door Margaret Geller. Geller nam een sneetje van het heelal van zo’n 500 miljoen lichtjaar lang en zo’n 300 miljoen lichtjaar breed: een splinter van het zichtbare heelal. Ze observeerden zoveel mogelijk sterrenstelsels als mogelijk en bekeken de afstanden. Het patroon dat daaruit ontstond, verbaasde iedereen. Het heelal heeft kennelijk de structuur van een soort honingraad. De algemene gedachte was dat sterrenstelsels lukraak en kriskras over het heelal verspreid zouden zijn. Maar nu was er ineens bewijs dat het heelal wel degelijk een structuur heeft. De verklaring voor deze structuur vond men in de aantrekking door de zwaartekracht.

Haast vanaf het prille begin van het heelal trok de zwaartekracht alles bijeen. Eerst in gaswolken, die condenseerden en samenklonterden tot sterrenstelsels. Die werden vervolgens sterrenclusters, die op hun beurt weer superclusters werden. Deze superclusters werden allemaal samengevoegd door draden van stof en gas. Allemaal onder invloed van de zwaartekracht, die als een soort van architect te werk is gegaan. De vorm en structuur van het heelal zijn hier direct door beïnvloed.

Echter, omdat er volgens de schattingen heel weinig materie en energie in het heelal zou zitten, zouden grote structuren als sterrenclusters helemaal niet kunnen bestaan. Kennelijk is er iets niet meegeteld wat er wel zou moeten zijn. Maar wat? En wat zou dat dan betekenen voor de kritieke dichtheid en de toekomst van het heelal? Fritz Zwicky vond een eerste aanwijzing. Hij onderzocht ook clusters en ontdekte toen iets heel aparts. Zwicky was geobsedeerd door wat de sterrenclusters bij elkaar houdt. Dat zou natuurlijk de zwaartekracht moeten zijn.

De sterrenstelsels bewegen in chaotische banen rondom een centrum van het cluster en beweegt er niet een snel genoeg om te kunnen ontsnappen aan die cluster. Zwicky kon zo de zwaartekracht berekenen die nodig zou zijn om alles in de cluster in zijn baan te houden. Van daaruit kon hij berekenen hoeveel materie er in het midden van het cluster zat. En toen ontdekte hij wat vreemds. De sterrenstelsels bewegen met enorme snelheden. De zwaartekracht die nodig is om de sterrenstelsels bij elkaar te houden in het cluster is daardoor veel groter dan verwacht. Er is veel meer massa nodig dan we kunnen waarnemen. Het cluster had ongeveer 100x zoveel massa nodig. Zwicky noemde deze mysterieuze ‘onzichtbare’ massa Donkere Materie.

Maar om te weten of dat het heelal boven of onder de kritieke dichtheid brengt, moest er nog een groot probleem worden opgelost. Namelijk hoe bestudeer je iets dat je niet kan detecteren? Het antwoord kwam in 1973 van het Jodrell Bank Observatory, van de Bernard Lovell Radio Telescope. De telescoop nam namelijk iets waar wat nog nooit iemand had gezien. De telescoop deed onderzoek naar verre, felle objecten, quasars genaamd. Ineens detecteerde ze iets heel vreemds. Ze zagen twee felle quasars. Er waren nog nooit twee quasars tegelijkertijd en zo dicht bij elkaar gedetecteerd. Alsof ze een soort paar vormden.

Er werd veel gemeten rondom dit paar, inclusief de spectra. De spectra zagen er haast identiek uit. Toen ze voor het eerst werden gemeten, waren ze roodverschoven. De spectra waren zo gelijk, dat ze dachten dat ze een fout hadden gemaakt. Het leek alsof ze twee keer hetzelfde object hadden bekeken. De conclusie die zij trokken was dat ze dachten twee quasars te hebben gevonden, maar dat het er in werkelijkheid maar één was. Het beeld was als het ware gespleten in twee beelden. Maar hoe?

Er is een theorie die dat prima kan verklaren, namelijk de relativiteitstheorie. Dit effect was al door Einstein voorspeld: een gravitatielens. Einstein had gezegd dat materie de ruimte vervormd, waardoor de structuur van het heelal zich ook aanpast. Als licht zich door de ruimte beweegt met hoge concentraties van materie, zal het worden afgebogen alsof het door een lens gaat. Dan krijg je namelijk eenzelfde effect. Hoe meer de ruimte is vervormd, hoe groter de buiging. En hoe groter de massa.

Tussen de quasar en de telescoop moet veel massa zitten, zodat het licht als gevolg daarvan buigt en het beeld zich splitst en waardoor het lijkt alsof er twee quasars zijn. En wat blijkt? Midden tussen ons de quasar zit inderdaad een sterrencluster. Het is dus geen kleine massa, maar de massa van honderden sterrenstelsels met elk miljarden sterren. Samen buigen ze het licht van de quasar om ons een dubbel beeld te geven. Dat dubbele beeld is cruciaal in de studie naar donkere materie. Want zelfs alle massa en materie in dat cluster is nog onvoldoende groot om het licht zodanig te verbuigen. Daar is dan nog donkere materie voor nodig. Een precieze analyse van de waar het licht exact werd verbogen, zou kunnen aangeven waar de donkere materie zich bevindt. Er ontstaat dan een soort van landkaart. In het centrum staat de gewone materie, maar daaromheen, veel verder uitgestrekt, is de donkere materie.

Zwicky’s onzichtbare materie werd dus bewezen door een kosmische optische illusie. Het kan niet onthullen wat donkere materie nou eigenlijk is, maar het in kaart brengen ervan geeft wel een idee hoeveel er is en dat er veel meer moet zijn dan dat er gewone materie is.

Maar is er genoeg donkere materie om het heelal naar de kritieke dichtheid te brengen? Onderzoeken naar de donkere energie leverden echter steeds meer vragen op dan antwoorden.

Maar toen ontdekte men nog iets veel vreemders. Terwijl men op weg was om het uiteindelijke lot van het heelal te gaan ontdekken, deed men een ontdekking die de hele natuurkunde op zijn kop zetten. In de jaren ’90 werd met een groot aantal telescopen onderzoek gedaan naar de toekomst van het heelal. Ze gebruiken daarbij een nieuwe techniek om te kijken naar hoe de uitdijing van het heelal was verlopen. Er werd naar supernova’s gekeken: de explosieve dood van een ster. En wel een specifiek type supernova: 1a. Dit type geeft steeds exact dezelfde felheid van licht af. Op basis daarvan kan nauwkeurig worden berekend hoe ver deze supernova’s bij ons vandaan staan. Ook het spectrum van de supernova’s is belangrijk. Op basis daarvan kunnen we namelijk onderzoeken of er sprake is van blauw- of roodverschuiving.

Terwijl het licht afreist van de supernova naar de aarde, dijt het heelal uit. Maar omdat de ruimte uitdijt waardoor het licht zich beweegt, rekt het licht zelf zich ook uit. De golflengte wordt dus langer. Het is dan roodverschoven. En als we de roodverschuiving meten, weten we ook hoeveel de uitdijing van het heelal veranderd is in de loop van de tijd.

Sterrenkundigen waren ervan overtuigd dat de zwaartekracht de uitdijing heeft vertraagd. De vraag was alleen hoeveel. Toen ze de afstand tegen de roodverschuiving uitzetten, konden ze uiteindelijk deze vraag beantwoorden. Ze ontdekten echter geen grotere roodverschuiving maar kleinere. De enige verklaring die daarvoor gevonden kon worden, is dat het heelal vroeger trager uitdijde dan nu. Het heelal dijt dus nu versneld uit. Dit is voor heel veel supernova’s onderzocht en steeds was het beeld hetzelfde. De eerste miljarden jaren na de oerknal vertraagde de uitdijing zoals verwacht. Maar dat veranderde na 5 miljard jaar. Toen begon het heelal versneld uit te dijen. Dat was een aardschok in de wetenschap. De algemene gedachte was dat de uitdijing zou moeten vertragen. Of het zou stoppen of dat het heelal zou imploderen, dat was nog niet helder, maar het moest vertragen. De zwaartekracht had immers toch een remmende werking? Kennelijk gebeurde er dus 6 miljard jaar geleden iets onverwachts in het heelal iets waar de wetenschap geen antwoord op heeft. Iets dat een versnelde uitdijing forceerde. En dat noemen we Donkere Energie.

De beste schatting leert ons dat het heelal voor zo’n 70% uit donkere energie bestaat. Dat betekent dat het heelal niet zal gaan imploderen of zal eindigen in een Big Crunch. Donkere energie zal in plaats van zwaartekracht uiteindelijk de toekomst van het heelal gaan bepalen. Het trekt het heelal uiteen, maar dat blijft niet eeuwig doorgaan. Donkere energie dwingt het heelal om steeds sneller uit te gaan dijen. Sterrenstelsels komen zó ver van elkaar af te staan en bewegen zó snel van elkaar af dat ze elkaars licht niet meer kunnen ontvangen. Ze zullen allemaal eindigen als een solitair eiland van sterren. Het kan zelfs zo extreem worden dat sterrenstelsels helemaal uit elkaar worden getrokken, waardoor sterren alleen achterblijven in een zwarte leegte. Of misschien ook niet: de effecten van donkere energie ontstonden ineens 6 miljard jaar geleden. Het zou maar zo kunnen dat er over een tijd weer iets gebeurt waardoor de versnelde uitdijing teniet wordt gedaan. Door de ontdekking van donkere energie liggen alle opties open. We weten er namelijk nog niets over. We weten niet waar het van is gemaakt of waarom donkere energie het heelal uit elkaar trekt. Laat staan over hoe donkere energie zich in de toekomst gedraagt. Er zit dus nog een groot gat in ons begrip over het heelal en het uiteindelijke lot hiervan.

Donkere energie maakt mogelijk gewoon deel uit van het heelal, maar het kan ook een fundamenteel probleem aangeven in onze belangrijkste en meest betrouwbare wetenschappelijke theorieën. En deze theorieën zijn essentieel voor ons begrip over hoe de wereld werkt.

De vraag hoe het heelal zal eindigen begon als de grootste uitdaging van de wetenschap. Het is uiteindelijk veel meer geworden dan een wetenschappelijke vraag. De ontdekking van de vreemde, spookachtige donkere energie tart alle bestaande begrippen en staat nu centraal in de natuurkunde. Het antwoord vinden op de vraag hoe het heelal zal eindigen kan enorm grote gevolgen hebben op ons begrip van de wereld.